Astrid Holleeder, inmiddels zestig jaar, schuift aan in de winterspecial van Casa Di Beau voor een gesprek dat niemand onberoerd laat. Samen met Bente Fokkens en Leo Alkemade reist zij af naar Oostenrijk.
Daar ontvangt Beau van Erven Dorens zijn gasten voor persoonlijke gesprekken. Tijdens een afzonderlijk moment vertelt Astrid openhartig over haar jeugd. Ze schetst een gezin waarin angst, geweld en zwijgen jarenlang de boventoon voerden.
Haar verhaal laat zien hoe diepe littekens uit het verleden doorwerken. Tegelijk benadrukt ze hoe veerkracht haar uiteindelijk richting gaf. Het gesprek biedt een zeldzaam inkijkje in een pijnlijke periode.
Een gezin gedomineerd door agressie en stilte
Wanneer Astrid terugkijkt op haar opvoeding, spreekt ze zonder omwegen over de thuissituatie. De relatie tussen haar ouders was volgens haar structureel slecht en onveilig. “Het was altijd schreeuwen en slaan”, vertelt ze zichtbaar geraakt.
Haar moeder leefde jarenlang onder het agressieve gedrag van haar vader. “Mijn vader was altijd een nare man.” Tegelijk benadrukt Astrid het contrast binnen het gezin. “Dat geluk hebben we wel gehad.
Dat we aan de ene kant een moeder hadden die alles voor ons deed, die er ook echt altijd was, en aan de andere kant die vader.” Die tegenstelling zorgde voor verwarring, maar ook voor overlevingsdrang. Liefde en angst bestonden naast elkaar.

Een ingrijpend moment op dertienjarige leeftijd
Op jonge leeftijd besloot Astrid in te grijpen tijdens een gewelddadig incident thuis. Ze was dertien toen haar vader het hoofd van haar zusje tegen marmer sloeg. Astrid stelde hem toen een vraag die niemand eerder durfde stellen. “Ik vroeg: ‘Waarom doet u dat nou?’ Dat was de eerste keer dat iemand hem die vraag stelde.”
De gevolgen waren groot en direct. “Toen werd hij woest en heeft hij mij geslagen en de deur uitgegooid. Toen mocht ik niet meer thuis wonen. Ik mocht er niet meer komen.” Vanaf dat moment stond ze er grotendeels alleen voor. Het geweld bleef binnenskamers, zonder consequenties voor haar vader.
Sport als uitlaatklep en nachten vol angst
Volgens Astrid werd het geweld altijd verborgen gehouden voor de buitenwereld. Niemand sprak haar vader ooit aan op zijn gedrag. Om haar emoties kwijt te kunnen, zocht ze houvast in basketbal. “Ik kon daar natuurlijk ook mijn agressie, boosheid en woede in kwijt.
Ik denk dat als ik dat niet had gehad, ik heel anders was terechtgekomen.” Toch stopte het misbruik niet overdag. Ook ’s nachts voelde ze zich nooit veilig. “Elke nacht kwam hij bij mij spoken, maakte hij mij wakker en ging hij de hele tijd oreren van: wat een kutwijf ik was, dat ik zo’n slecht kind was en dat ik de grootste debiel op aarde was.” Die nachten drukten zwaar op haar mentale welzijn.

Gedachten aan een onvoorstelbare uitweg
De voortdurende dreiging zorgde ervoor dat Astrid zich steeds verder opgesloten voelde. Ze zag op een gegeven moment geen andere uitweg meer. “Ik liep echt met plannen rond om hem te vermoorden, want ik zag geen uitweg.” De angst en wanhoop namen extreme vormen aan.
“Ik sliep toen met een groot Tefal-mes onder mijn bed, want ik dacht: vandaag of morgen steek ik je gewoon dood.” Die gedachten illustreren hoe uitzichtloos de situatie voelde. Tegelijk tonen ze hoe ver een kind kan worden gedreven door langdurig geweld. Het zijn uitspraken die diepe indruk maken op kijkers.
Zelf regie nemen over toekomst en verhaal
Ondanks alles besloot Astrid haar leven niet te laten bepalen door haar verleden. Ze richtte zich bewust op school en sport. Daarmee nam ze stap voor stap de regie terug. “Ik dacht: ik laat mijn toekomst door jou niet verkankeren.” Die instelling hielp haar vooruit te kijken.
Vandaag de dag spreekt ze met opvallende helderheid over wat nog komt. “Nu nog even tien jaar knallen en iets moois opbouwen. Dat wil ik doen door mijn eigen verhaal te vertellen en van daaruit gewoon heel leuk, knap en gezellig oud te worden.” Eerder vertelde ze in De Kist waarom ze nooit kerst viert.
